Het gouden randje

Hiermee lijkt de gifbeker leeg, want een week later heb ik de knop nog één keer kunnen omzetten. Het Districtskampioenschap vindt alsnog plaats op Sportpark Zielhorst in Amersfoort. Ik steek door de intensieve trainingsuren in blakende vorm en er is nog één kans om dit jaar een prijs te pakken. Ik ben er al een aantal keer dichtbij geweest, maar het lot besliste tot vandaag anders. Nog anderhalf uur rondjes draaien op het spektakelloze baantje van Eemland en dan zit het seizoen erop. Van begin af aan ben ik gretig en alert. Na al eens met een kopgroep mee te zijn geweest waarvan ik dacht, dit zou ‘m’ wel eens kunnen zijn, komt het toch weer bij elkaar. Het peloton is een beetje gezapig nadat we weer zijn ingerekend en als ik om me heen kijk zie ik vermoeide en vertekende gezichten, mede door de aanhoudende regenbuien stel ik me zo voor. Wanneer het pak op adem probeert te komen rijden er opnieuw twee man weg. 

Ondanks de spaarzame momenten dat er gekoerst kon worden en misschien wel dankzij dit gegeven, betrap ik mezelf meer dan ooit dit jaar op het bekruipende gevoel van fomo. Op het moment dat het er slechts een fractie van een seconde naar uitziet dat een haast hypothetische kopgroep een meter te veel krijgt heb ik de neiging om te springen. Ik twijfel of dit te wijten is aan mijn nerveuze aard en gebrek aan ‘cool’ in de koers of aan perpetuele jus in de benen en goesting in het gestel. Ik verwacht een combinatie van beide.  

Terwijl mijn vorige vlucht nog niet uit het lijf verdwenen is, zie ik opnieuw het gevaar en ik waag de sprong naar de twee. Het wegdek is nat en zo te zien is mijn angst minder bij het aansnijden van de bocht. Een fractie later stoppen met trappen, terugschakelen, remmen toucheren, ademhaling onder controle krijgen, hartslag omlaag, hoog insturen, klein maken, naar binnen duiken, buiten uitkomen, staan, aanzetten, opschakelen. Bij elke bocht pak ik die ene seconde die ervoor zorgt dat ik hoop krijg erbij te geraken. Na de vierde bocht is het zover en zit ik op het wiel van de twee. Er wordt me verzocht mee te draaien in de elegante vorm van de elleboog van mijn voorganger die twee keer de elleboog naar voren beweegt. Het wereldwijde symbool in de wielerwereld die zoveel betekent als: ‘Werken voor je geld’. Ik schud nog een paar keer met mijn hoofd ten teken dat het zuur nog heel eventjes mijn oorschelp uitspuit. Een ronde later is dit gezakt en kan ik braaf mijn beurtjes draaien.

Ik kijk achterom en zie een prachtige leegte, de voorsprong is opgelopen. Nerveus als ik nog steeds ben, herhaal ik dit elke ronde vlak voor de bocht op het meest overzichtelijke stuk van de baan. Het moment dat het bestijgen van het erepodium een zekerheid lijkt is een heerlijk gevoel en ik zoek de leegte op, wil het keer op keer bevestigd krijgen. We draaien beter dan ik ooit heb meegemaakt. Drie rechte stukken, drie coureurs. We nemen steeds één streep voor onze rekening. De junior, rijdend in een andere categorie, is de sterkste en neemt het langste stuk op zich. Op dit soort momenten hoop ik heel erg dat hij een hele grote gaat worden en ritten in de Tour zal gaan winnen. Dan kan ik zeggen ‘Hey weet je nog’. Zo niet, bespaart me dat een illusie. Dat zou wellicht beter zijn.

Districtkampioenschap Midden
De gouden plak

Rondes lang rijden we als waren we een hechte ploeg, in training voor het NCK. Armen over het stuur, volle bak geven. Geen beurten overslaan. We draaien zó goed dat we tegen het einde van de koers het peloton dubbelen. Iets wat me nog nooit is overkomen en waarvan ik ook niet had verwacht dat me dit zou lukken. Er zijn nog slechts enkele rondes te rijden en in de finale laten we het peloton gaan. De junior is zegezeker en als ik met mijn andere vluchter een kort gesprek aanknoop zegt hij dat hij helemaal naar de kloten is. Ik ben achterdochtig. Hij speelt het spel goed, denk ik. Een ronde voor het einde zegt hij iets in de trend van: ‘Jij gaat winnen’. Voor de zekerheid zet ik me achter zijn gestalte op het laatste rechte eind. Ik laat een klein gaatje vallen en spurt weg, kijk achter me en zie een groot gat. Hij lijkt inderdaad niet te kunnen. Nog minstens drie keer kijk ik over mijn schouder, maar dan kan ik met zekerheid rechtop zitten en mijn vuisten ballen. Er schiet nog een flits door me heen dat een sprint om de winst mooier zou zijn geweest. Fuck it, winnen is winnen. 

Een waardeloos seizoen is het geweest, maar voor even is de ellende vergeten. Ik ben echt trots op deze prestatie en tijdens mijn schrijven bijna twee maanden later teer ik nog steeds op de voldoening en de medaille die me dit gegeven heeft.

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *